Leonieke Polman (1974) - Fijnschilder
Leonieke Polman (1974) is opgegroeid tussen de verf, het bladgoud en de pigmenten van het schildersbedrijf van haar vader en grootvader. In 1998 studeerde ze af als fijnschilder aan het Hoger Instituut voor Decoratie Meylemans te Antwerpen.
Leonieke heeft een unieke ervaring op het gebied van restauratie en decoratie-schilderwerk, hetgeen mag blijken uit de diverse monumentale opdrachten die zij de laatste jaren heeft voltooid, waaronder:
Het Capitool te 's-Graveland (bezanding van de pilaren); de Vrijmetselaarsloge te Hoorn (polychromie en vergulding van het timpaan, marmerimitaties en houtimitaties binnen); de Cyriacuskerk te Hoorn (marmerimitaties voor het altaar); diverse wanddecoraties op verschillende locaties (met olieverf, koperoxidatie-techniek en bezanding); polychromie en belettering voor het Amsterdams Historisch Museum (het weesmeisje en de weesjongen); vergulding van het wapen van kasteel Radboud - de burcht van Floris de vijfde - te Medemblik en de restauratie van de fresco's in Villa de Lange te Alkmaar, die oorspronkelijk door Theo van Doesburg (de Stijl) geschilderd zijn.
Na jaren werkzaam geweest te zijn in het ambachtelijke schildersbedrijf van haar vader en grootvader is Leonieke sinds 2003 zelfstandig ondernemer op het gebied van kleur en ambachtelijke technieken in de breedste zin van het woord.
|
De schilderkunst
Schilderkunst
in haar uitgestrektheid en veelzijdig gebied zijn, uitgaande van enige harer
aspecten, in de loop der tijden de volgende onderscheidingen ontstaan:
a. muurschilderingen (fresco, graffito enz.);
b. decoratieve schilderingen (versieringen van plafonds, zalen, toneelschermen,
behangsels enz.) ;
c. glasschilderkunst;
d. schilderingen op paneel, doek, koper enz. (mobiele kunstwerken).
1e de tijd van ontstaan.
Spreekt men van werken uit de 14e eeuw, tweede helft 17e eeuw enz.;
2e naar de plaats van ontstaan. Van Nederlandse, Franse, Duitse schilderkunst
enz. of meer verbijzonderd van Hollandse, Antwerpse provinciaalse kunst enz.;
3e naar tijd en plaats van Nederlandse kunstenaars uit de 19e eeuw.
Bourgondische kunst uit de 15e eeuw enz. ;
4e naar de kunstperioden waarin werken zijn ontstaan
Middeleeuwse, renaissance, classicistische, moderne kunst enz.;
5e naar de artistieke richtingen en stromingen die aan de kunstwerken een
bepaald karakter hebben gegeven
Idealistische, realistische, naturalistische, impressionistische, expressionistische,
symbolische kunst enz.;
6e naar de materialen waarmede en waarop zij zijn uitgevoerd
tempera-, ei-, olieverven enz. schilderingen op paneel, doek, koper;
7e naar de onderwerpen
portretten, landschappen, dieren, interieur, stadsgezichten, zee- en riviergezichte,
volkstaferelen, (genre) stillevens, militaire taferelen, allegorieën, bijbelse,
historische en mythologische taferelen enz. Al deze groepen worden veelal nog
onderverdeeld, bijv: portretten van mannen, vrouwen, kinderen, groepen, (regenten-
en schuttersstukken, familiegroepen), portretten en profil, en face, ten voeten
uit, buste portretten enz.; landschappen zijn uiteraard zeer gevarieerd: weide-
bos-, heide-, polder-, berglandschappen enz.; vergezichten, panorama’s, plassen
en meren riviermonden enz.al of niet gestoffeerd met figuren of dieren enz.Stillevens:
bloemen, vruchten, jachtattributen; voorwerpen van dagelijks gebruik; bekers
en vazen, doeken en draperieën; boeken enz.
Men onderscheidt: ontbijtgens, vanitas, pronkstillevens; stillevens in interieurs
(groenten, geslacht enz.). In alle andere onderwerpen zijn dergelijke onderverdelingen
gebruikelijk;
8e naar de technieken en werkmethodes
glaceren, alla prima schilderen, fijnschilderen, pointilleren diviseren enz.
9e naar het doel of bestemming
Spreekt men van kerkelijke, profane, decoratieve kunst enz.
10e van fysioplastische kunst
Indien van de zinnelijke waarneming van ideoplastische kunst, indien van een
idee is uitgegaan: van Apollinische en Dionysische kunst.
Uiteraard kunnen deze indelingen en groeperingen niet anders dan schematisch
zijn, de grenzen zijn niet altijd scherp te trekken. De termen schilder, schilderij,
schilderkunst vinden hun oorsprong in de middeleeuwse gilden. In de zadelaarsgilde
waren allen verenigd, die de uitrusting van de ruiter en het paard verzorgen
hadden (zadelmakers, leerbewerkers, harnasmakers, helslagers, cleerschrijvers,
speer- en zwaardmakers enz.) Zij die het hout voor de schilden bewerkten, werden
sc(h)ilmakers, zij die versierden sc(h)ilders genaamd. Het versieren van schilden
(met de wapens van de ridders) geschiedde aanvankelijk met gekleurd leer. Later
(13e eeuw) met ei- of lijmverven, nog later (15e eeuw) met olieverven. Doch
zij, die met verven werkten verrichtten ook andere werkzaamheden (bijv. Het
polychromeren van beelden, het versieren van zalen enz. )
In de gilde bepalingen werd de naam schilder gegeven aan allen die met penselen
en verven werkten, alle andere gildeleden werd het gebruik van deze gereedschappen
en materialen verboden. De criteria werden dus niet gezicht in de artistieke
prestatie, doch uitsluitend in de beoefening van een bepaald ambacht. Wel werden
reeds vroeg onderscheidingen gemakt tussen grofschilders, fijnschilders, cleerschrijvers
(decorateurs), kladschilders, vergulders enz. doch allen waren in één gilde
verenigd, d.w.z. in een vakvereniging. Uit het beroep van schildversierder ontwikkelde
zich in de loop der late middeleeuwen het paneelschilderen, waartoe het toenemend
gebruik van olieverf veel heeft bijgedragen. Toch werden reeds vroeger, hoofdzakelijk
voor kerken bestemde werken geschapen, die wel op hout doch met andere materialen
werden geschilderd.
Echter is er van de 'kunstschilder'(in de zin waarin wij heden dit begrip verstaan)
eerst sprake in de periode der vroegrenaissance in Italië, in andere landen
eerst in de 16e eeuw. Toen ook werd het kunstschilderen als een zelfstandig
beroep beschouwd en de beoefenaars in aparte gilden verenigd. Onder schilderie
werd in de middeleeuwen het schilderwerk in het algemeen verstaan, later -eerst
in de 15e eeuw- begreep men daaronder het geschilderde tafereel, het kunstwerk
in de moderne zin. Een specialisatie op bijzondere onderwerpen ontstond eerst
in het begin 16e eeuw (landschapschilders, portretschilders enz.)